dinsdag 8 november 2011
Ode aan de Grote Moeder
En het leven word geleefd
tussen opgedane ervaringen en het herhalen van geschiedenis.
Eindeloze rijen van huizen waar maar geen einde aan lijkt te komen, vormen een streep van muren beton.
Daarachter word geleefd en wandelt men op paden van aangeplante bossen wanneer het zondag is.
En zonder dat men weet,
verstrijkt de tijd tussen 4 seizoenen.
De enige plank die er is, is waar brood op moet komen.
Zo zijn de wekkers ontstaan en heeft het leven doelloos een doel,
wanneer men s'nachts het oor op het kussen te rusten legt
en alleen de adem nog vanzelf gaat.
Wie hoort nog de uitgestrekte hemel, HAAR koninkrijk, tussen het rijk van de zon en de maan.
Wie hoort nog HAAR roep die als een echo over de daken van huizen glijd.
Wie ziet nog hoe de sterren stralen,
haar fonkelende diamanten, wanneer ZIJ zich aandient,
aan ons gegeven?
Maar ik zeg je: Hoe liefelijk is haar roep van haar gezang, eeuwigdurend, geduldig als de Goddelijke snaren van de harp, alwaar zij gekomen is vanuit het meer en getrotseerd heeft het wenen van de doden, die stierven omdat zij de liefde niet konden zien.
De fonkeling in HAAR ogen heeft nooit gezwegen en dichtbij haar boezem bewaard zij het zwaard, welke HIJ aan haar teruggegeven heeft toen ZIJN adem verdween in de wind en toen de mist over het water kwam.
©Moon
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten